‘Kom je morgen bij mij spelen?’ Vroeg C. ‘Ik zal het aan mijn moeder vragen’ antwoorde de 10 jarige ik. Morgen was woensdag, dus we waren op tijd vrij van school.
Ik vertelde C. dat haar oma, de draken die ze tekent zo mooi vind. Waarbij ze me een zwart witte poster laat zien, van een getekende draak. Het lijkt een soort schets.
C. kijkt me aan en zegt; Mijn oma? Ik heb helemaal geen oma.
Een beetje verbaasd kijk ik C. aan en ik begin snel over iets anders.
De dag gaat voorbij en we spreken af om morgen na schooltijd te gaan spelen, we zijn allebei gek op tekenen, dus dat zouden we gaan doen.
Bij thuis komst vraag ik aan mijn moeder of ik morgen bij C. mag spelen. Ja hoor, vind de moeder van C. dat ook goed? Dat gaat ze nog even vragen. Het is woensdag morgen, eenmaal aangekomen op school begroet ik C. Ik vertel haar dat mijn moeder het goed vind. Haar moeder vond het ook goed. We konden niet wachten tot de korte schooldag voorbij was. C. woont vlakbij de school, een paar minuten lopen en we zijn er al. We staan voor de deur en de moeder van C. doet open.
Naar binnen! Roept ze tegen C. Die snel voorbij haar moeder naar binnen glipt.
Met grote ogen kijk ik naar de moeder. Haar ogen beginnen bij mijn voeten en langzaam kijkt ze omhoog. Ze kijkt me in mijn ogen aan en zegt; ‘Jij mag hier niet spelen!’
Verbaasd en bang tegelijk, kijk ik haar aan. Ik blijf staan, ik weet niet wat ik moet doen.
De moeder van C. zegt; Jij bent een duivels kind, jij praat met de doden.
En bam, daar knalt de deur voor mijn neus dicht.
Ik blijf nog even staan, ik weet niet wat er net is gebeurt en ik begrijp er helemaal niets van.
De tranen springen in mijn ogen en ik besluit om naar huis te lopen.
Gelukkig was mijn moeder thuis, ze zag me aan komen lopen en zegt; je zou toch bij C. spelen vanmiddag? Ik vertel haar wat er zojuist is gebeurt. Ze schrikt er ook van, en ook zij weet eigenlijk niet wat ze hier nou mee moet. Ze zegt me dat het dan misschien beter is, om niet meer met C. om te gaan.
Donderdag kom ik op school en C. durft me niet aan te kijken, ze zegt ook niets. Hier eindigde dus de vriendschap.
Ik zie de oma weer verschijnen en die zegt; Ooit zullen ze het wel begrijpen.
Ik mijn hoofd zeg ik tegen haar; Weg! Ik vind namelijk dat zij de schuld is van dit alles.
Ik heb haar nooit meer gezien.
Ook C. ging uiteindelijk van school af, ik weet niet meer waarom.